Over
Nieuw-Zeeland wordt vaak nog steeds gezegd dat er per inwoner twintig schapen rondlopen. Dit is helaas niet meer gebaseerd op recente cijfers. Hoewel het aantal mensen in Nieuw-Zeeland langzaam toeneemt, slinkt de schapenpopulatie in rap tempo.
Net na de Tweede Wereldoorlog zag het er allemaal nog rooskleurig uit voor de dieren. De twee decennia na de oorlog worden door menig schapenboer de 'golden years' genoemd. Groot-Brittannië kocht al het vlees en wol op dat Nieuw-Zeeland kon produceren.
Langzaamaan werden wollen truien steeds minder populair en stegen de transportprijzen. De
schapenboeren namen af, en daarmee de beestjes zelf. De schapen hebben hun bestaan in Nieuw-Zeeland slechts te danken aan hun baasjes.
Je zou het misschien niet denken als je de kuddes in de weides ziet grazen, maar de schapen van Nieuw-Zeeland zijn niet op natuurlijke wijze Nieuw-Zeelands geworden. Kapitein Cook heeft de eerste beestjes in 1773 op het eiland gezet. En als er één schaap over de dam is volgen er meer...
De schaapjes verspreidden zich als een olievlek over de eilanden. Vanwege de droogte in Australië was het goedkoop om ze daar in te kopen. In 1864 maakten maar liefst 13.000 schapen de oversteek.
De eens zo snel groeiende schapenpopulatie is nu op zijn retour. In 1982 werden ruim 70 miljoen schapen geteld. In 2006 waren dat er slechts 40.2 miljoen. Inmiddels lijkt het aantal schapen te zijn gehalveerd ten opzichte van 1982. Voor schapenliefhebbers is het dus maar hopen dat de wollen trui weer in de mode komt.