Peter en Anita een maand in de camper
Like ons op Facebook

Peter en Anita een maand in de camper

door Peter & Anita Janse

Peter en Anita Janse liepen op 8 en 9 maart van dit jaar de 2-daagse van Rotorua. Ze maakten er een vakantie van. Vier weken trokken ze door Nieuw-Zeeland in een kampeerbusje. Anita nam zich voor hun ervaringen op één A-viertje samen te vatten. Maar dat voornemen hield geen stand.

Je moet een beetje lenig zijn. Niet al te zwaarlijvig. Je moet geen last hebben van het Calimero-complex en zeker een beetje ruimdenkend zijn. Dat maakt je geknipt voor een camperbusje van het verhuurbedrijf Otago Rentals. Vakantie in Nieuw-Zeeland in de ultieme Pipo-de-Clown setting.

Dat we een reis door Nieuw-Zeeland zouden maken, besloten we al lang geleden. Maar vorig jaar pas bedachten we dat we per camper zouden trekken. Want wat moet je als kampeerder-sinds-ruim-20-jaar op een hotelkamer? Toen we hoorden dat je in Nieuw-Zeeland vrij kunt kamperen en daarnaast volop keus hebt uit prima campings, waren we om.

Een camper moest het worden. Het ging er alleen nog om wat voor eentje. We keken in folders en zochten op het internet. Droomden weg bij plaatjes van luxe campers. Waar je in kon dansen en net doen alsof je thuis was. Met magnetron, zonnepanelen, boiler voor warm water en een douche aan boord. Met een boekenkast en een bureau voor je laptop. Bankjes waar je je voeten op kunt leggen. We rekenden en rekenden. 'Wat zijn die krengen duur,' zei Peter.

'Deze niet,' kraaide ik. Het was een camperbusje van Otago Travel. Net zo groot als onze eigen Volkswagen Transporter, maar hoger. Je kon er rechtop in staan. De huurprijs oogde aangenaam, lag in ieder geval stukken lager dan de slagschepen van Maui en Avis. 'Wij zijn eenvoudige mensen, wij hebben al die decadentie niet nodig,' zei ik stoer. 'Een bed, dat is genoeg.'

'Vind jij een koelkast dan decadent?' vroeg Peter, praktisch ingesteld als altijd. Hij had gelijk. Zo eenvoudig zijn we nou ook weer niet. Ik las de beschrijving nog eens. En raad eens? Alles zat erop en eraan. Koelkast, magnetron, broodrooster, boiler, kachel, kasten en ook nog eens plaats voor ons tweetjes. We waren óm.

Christchurch

Na respectievelijk een lange vlucht naar Hong Kong, een volle dag in die stad (waar niemand nog ooit van het SARS-virus had gehoord), opnieuw een lange vlucht naar Auckland en aansluitend een binnenlandse vlucht naar Christchurch het Zuiddereiland, sliepen we voor een enkele nacht in een hotel. Het Cotswold hotel dat eruit ziet zoals het klinkt: neo-Shakespeariaans, zeg maar een soort hans-en-grietje stijl maar dan op z'n Engels. Grote kamer, zacht bed. Riante badkamer met ligbad.

Terwijl ik dobberde in het naar lavendel geurende warme water bedacht ik dat dit misschien het allerlaatste moment van luxe was. Komende viereneenhalve week zou soberheid mijn deel zijn. Een campertje waarin je je kont niet kunt keren. Een leeg land, tig keer zo groot als Nederland met een wegennet van likmevessie, alles grind en zand en modder, en geen bereik met je mobieltje.

We zouden verdwalen en konden niemand bellen. We zouden een lekke band krijgen. We zouden doodgaan en nooit meer gevonden worden. Ze hadden gezegd dat er geen enge beesten waren in Nieuw-Zeeland, maar ik zou op een morgen de schorpioen in mijn schoen pas ontdekken op het moment dat hij in mijn teen beet.

Een taxi (service van het verhuurbedrijf) bracht ons de volgende morgen van het hotel naar het plaatsje Belfast bij Christchurch, waar zich de vestiging van Otago Travel op het Zuidereiland bevindt. Een camper stond klaar. Onverwacht groot. Met een heus slaapcompartiment boven de bestuurderscabine. 'Mwah, niet slecht,' zei ik. Met een waarderende blik liep ik eromheen. Tot ik struikelde over Fordje. Dat was dus het campertje dat de komende viereneenhalve week ons vriendje moest worden. Oeps.

Jason, de baas van het verhuurbedrijf, vertelde trots dat Fordje zojuist een servicebeurt had ondergaan. Er was zelfs een nieuwe voorruit in gegaan! De versnellingsbak vroeg een zachtaardige benadering, maar dat was geen probleem. Wij zijn namelijk erg lief. Die versnellingsbak was bij ons in goede handen! Of we de camper even wilden inspecteren.

Peter ging achter het stuur zitten en ik klopte - toktok - op de kastdeurtjes. Deed de deur van de magnetron open en weer dicht. Ging op de bank zitten. Gaaf, zo'n camperbus met open schuifdeur, je zat in de bus en tegelijk ook nog een beetje buiten. Veel leuker dan een caravan! Vrolijk zwaaide Jason ons uit. Op naar de camping maar eerst: boodschappen halen.

In bijna elk dorp op het Zuidereiland vind je een klein kruideniertje. Meestal is het een familiebedrijfje dat 7 dagen per week van 8 tot 8 open is. Behalve de dagelijkse boodschappen kun je er ook gasflessen en postzegels kopen. Grote supermarkten vind je alleen in de grotere plaatsen als Christchurch, Dunedin en Queenstown en van die grote supermarkten lijkt de New World nog het meest op Albert Heijn.

We laadden ons karretje vol en bij de kassa werden na het afrekenen onze boodschappen verzameld in plastic zakjes. In een land waarin de overweldigende natuur wordt beschouwd als het grootste kapitaal is zoiets op z'n minst merkwaardig te noemen, zeker als je je realiseert dat zelfs in Frankrijk aan deze milieuonvriendelijk gewoonte al een paar jaar geleden een einde is gemaakt.

Eén boodschap moesten we nog doen. Voor onze elektrische apparaten (een laptop om de digitale foto's te verwerken en CD's af te spelen, en de opladers voor de mobieltjes) hadden we een andere adapter nodig dan die uit de Hollandse campingwinkel. Volgens het opschrift op het plastic zakje was die bestemd voor 'Groot-Brittannië en daarmee verbonden landen' maar hij paste niet. In Nieuw-Zeeland en Australië hebben de stekkers drie polen, waarvan één plat is. We vonden de juiste adapter in een witgoedzaak naast de New World in Christchurch.

Wij kozen Spencer Park Kiwi Camp uit omdat die aan zee lag. Met 1 graad vorst waren we vanuit Nederland vertrokken, dus wilden we nog wel even leuk aan het strand liggen. Maar juist toen wij onze handdoekjes uitspreidden, schoof er een wolk voor de zon en begon het te waaien. In de camper warmde ik een blik spaghetti op en sneed een paar tomaten in vieren.

Daarna koffie: dat is op zich al een verhaal waard. Niets water opgieten op een wiebelend melitta-filter boven een potje. Nee, deze camper was uitgerust met een coffee-plunger. Die werkt zo: in een thermoskan mik je paar scheppen koffie, dan giet je er kokend water in, vervolgens sluit je de kan af met een deksel waaraan een zeef is bevestigd. Na een paar minuten duw je met de zeef de prut naar de bodem van de kan en kun je de koffie uitschenken. Niet echt een nieuw systeem geloof ik, maar de combinatie met een thermoskan had ik nog niet eerder gezien. Made in China en superhandig.

Christchurch - Portobello: via Highway 1 is het 480 kilometer

Ashburton - Oamaru (met bezoek aan Mouraki Boulders) - Dunedin, daarna over Portobelle Road (prachtige, maar wel slingerende en smalle weg die soms vlak langs het water voert) naar Portobello. Paar keer gestopt, o.a om te tanken, te pinnen (je kunt in bijna elk dorp geld uit de muur halen) en te eten (Kentucky Fried Chicken in Oamaru).

Bij de Mouraki Boulders kun je goed parkeren op de parkeerplaats bij het restaurant aan de duinen. Je loopt over vlonders door de duinen naar het strand. De Mouraki Boulders zijn alleen te zien bij laag water. Langs Highway 1 zijn voldoende tankstations, benzineprijs op het zuideiland is iets hoger dan op Noordereiland, gemiddeld NZ$ 1,15 (0,57 euro) per liter. De diesel kost NZ$ 0,75 (0,38 euro) per liter. Camping Portobello Tourist Park: beperkt aantal powered sites (plaatsen met stroom) voor NZ$ 24,- per nacht. Schone camping, goed sanitair.

Otago Peninsula

Tien dagen bleven we op het Zuidereiland. De eerste dagen, na de weersomslag in Christchurch, waren koud: de herfst naderde. Vanuit Christchurch reisden we verder zuidwaarts naar het Otago Peninsula (schiereiland) bij Dunedin. De autoweg doorkruist de Canterbury Plains, een streek die net zo plat is als de Wieringermeer.

Ver in het westen (hoe anders dan in Slootdorp) tekende de besneeuwde toppen van de Nieuwzeelandse alpen zich af tegen de grijze wolken van waaruit af en toe wat regen viel. In de buurt van Dunedin veranderde het landschap, het werd heuvelachtig, allengs steiler en ruiger. We reden langs een ver landinwaarts reikende baai met vissershuizen op palen. Een beetje Schotland en een beetje Noorwegen. Portobello, zo heette het dorpje waar wij op 'Portobelle Tourist Park' neerstreken.

Otago Peninsula is beroemd om zijn zeehonden- en albatrossenkolonie. Wij wilden ze allebei bezoeken en ik ging om informatie bij de campingbaas. Toen was ik getuige van het volgende gesprek. Mevrouw: ik wil zeehonden zien. En albatrossen. Campingbaas: dat kan alleen onder geleide. U moet van tevoren boeken. Zal ik kijken of er nog plaats is? Mevrouw: Doet u dat maar.

Campingbaas (bladert in agenda): U kunt om drie uur naar de zeehonden. Dat duurt tot ongeveer kwart voor vier. Dan is er pas om half zes plaats in de groep voor de albatroskolonie. Maar u kunt in de tussentijd het bezoekerscentrum bekijken en er is ook een restaurant. Zal ik u daarvoor opschrijven? Met hoeveel personen? Goed, de mevrouw boekte voor 2 personen en moest daarvoor veel dollars neertellen.

Dat wou ik helemaal niet, ergens op afspraak heen, wat rondhangen en dan weer op afspraak ergens anders naartoe en daarvoor dan ook nog eens een smak geld betalen. Ik zei tegen Peter dat we wel gewoon gingen wandelen (er zijn mooie wandelroutes op het schiereiland). We zouden vanzelf wel zien wat op onze weg kwam. Misschien wel zeehonden. Of albatrossen.

Dus ploegden we 's morgens in ons campertje over een smalle zandweg, richting Mount Sandfly aan de westkant van het schiereiland. We voelden ons Pipo en Mammaloe in hun woonwagen, met achter ons het gezellige gerammel van potten en pannen. Geen ezeltje Nononono ervoor, maar onder de kap een vriendelijk brommende 2-liter motor. Geen andere campers kwamen we tegen.

Voor grotere campers is het toch al moeilijk om op de wat avontuurlijker weggetjes te rijden. Als het al niet verboden is. We lieten Fordje achter op een fantastisch gelegen plekje vlakbij Mount Sandfly en volgden een wandelroute die op een kaartje stond aangegeven. Die voerde naar Sandfly Bay, een strand waar tegen zonsondergang pinguins te zien zijn. Het was een beestachtige tocht over steile zandduinen. Op het strand natuurlijk geen pinguin te zien maar wel een scholekster. Helemaal zwart. Zo eentje hadden we nog nooit gezien.

We ploeterden terug door het zand, nu alleen nog maar heuvelopwaarts, ik stierf een paar keer maar wilde niet echt dood en uiteindelijk kwamen we dan toch weer bij de camper, waar Peter brood smeerde en eieren bakte. Het wolkendek scheurde open en de zon strooide kwistig diamantjes over het water van Otago Bay. We gingen naar het uiterste noorden van het schiereiland, de plek van de albatroskolonie. Vanuit de verte zagen we een observatiehut. Aan de linkerkant kwam een groep in identieke windjacks gestoken bezoekers aanlopen terwijl ter rechterzijde een andere groep het hutje juist verliet.

De excursie bestond uit een film over albatrossen kijken van een half uur, een korte wandeling naar een hut, even naar de vogels kijken door een kier en dan weer terug. Niks voor ons. Wij liepen om de kaap, zagen een zeemeeuwenkolonie en albatrossen zweven op de wind. Op de parkeerplaats stond een auto waaraan een inventieve toerist - vast een Duitser - plastic zakjes had bevestigd tegen de meeuwen. Met gevolg dat we nog nooit een auto gezien hebben die zo was volgekakt.

Ook nog nooit Peter zo zien lachen. Beneden aan de baai lag een groep luie zeehonden op de rotsen en we zagen ook een vogel broeden in een hol. Fijne dag, zoveel gezien voor zo weinig geld en nog zonneschijn toe, al bleef het twee-truien-weer.

Portobello - Te Anau: Highway 1 vanaf Dunedin 395 kilometer

Balclutha - Clinton - Gore (de 'presidential highway') - Lumsden - Te Anau. Saaie weg, saaie stadjes. In Balclutha en Gore zijn winkel(tjes) en kun je pinnen. Restaurants zijn meestal van het type 'vreetschuur', take-away of BYO (Bring Your Own, je moet hier je eigen wijn meenemen). Tank tijdig. Het kan lang duren voordat je weer een pomp tegen komt.

Naar Fiordland

Te Anau (uitspreken als Tiejaneejoe) in het zuidwestelijke Fiordland is een uit de kluiten gewassen toeristenplaats waar de meeste toeristische voorzieningen direct aan het meer liggen. Te Anau is vertrekpunt voor excursies naar Doubtful Sound en Millford Sound en de schilderachtige Kepler-track. Van Otago Peninsula naar Te Anau is ongeveer 400 kilometer. De eerste 300 kilometer door een prairie-achtig landschap bezaaid met schapen. Pas ver in het zuidwesten wordt het landschap heuvelachtig.

De bergen in de verte, die kortgeleden nog zijn opgetopt met een vers laagje sneeuw, lijken maar niet dichterbij te komen. De weg is net zo smal als de polderweg tussen Geenhuizen en Lutjekanaal en leeg, leeg, leeg. We passeren stadjes met namen als Balclutha en Lumsden, waarvan de sfeer was als die van vergeten decor uit een spaghetti-western. Voor de mensen die er wonen is het te hopen dat ze een hobby hebben, zeg ik tegen Peter.

Een uitzondering vormt het plaatsje Gore (30 kilometer verderop ligt Clinton, gelooft u ook dat alles in dit ondermaanse is voorbestemd?) In Gore zijn de huizen vrolijk geschilderd, de gazons gemaaid en er wapperen vlaggen. We zien wel drie mensen op straat! De laatste 80 kilometer voor Te Anau ontdekken we geen enkel teken van menselijk leven meer. Ook elke vorm van dierlijk leven lijkt uitgebannen in deze ruige streek. Ik vraag me af waar dat oneindige lint van gaashekken voor nodig is. Geen schaap te zien.

Lake Te Anau is een prettige verrassing. Een glad wateroppervlak waarin de besneeuwde bergtoppen en de blauwe lucht zich spiegelen. Langs de boorden van het meer ontdek ik wel veertig tinten groen, van weidegroen tot het dennengroen van de naaldwouden die opstijgen langs de hellingen van het Kepler gebergte. Te Anau heeft twee campings, een heet Mountain View Holiday Park en biedt uitzicht over u-raadt-het-al. Deze camping biedt alleen plaats aan tenten. Met onze camper begeven we ons naar de camping die uitzicht biedt over Lake Te Anau. En u mag raden hoe die heet!

We lopen een deel van de beroemde Kepler-track, die ons voert langs de oever van het meer van Te Anau in noordelijke richting. Het is nog vroeg in de morgen. De overkant van het meer gaat schuil achter nevelslierten. Ik heb me laten vertellen dat het er aardig kan spoken, maar nu kabbelen de golfjes fluisterzacht tegen de kant. Vredig dobberen het watervliegtuig en de bootjes in het water, evenals de slaperige zwanen waarvan sommige hun nekken nog verdraaid als krakelingen tussen de veren gestoken houden. We hebben broodjes gesmeerd en een extra fles water in de rugzak gepropt. Want aan de Kepler-track vind je kroeg nog ijscoman.

De Kepler-track is een tocht van 3 tot 4 dagen langs meren, door bossen en over bergpassen, die begint en eindigt in Te Anau en met niks aan beschaving er tussenin. Nou ja, niks. Trekkershutten onderweg en bordjes waarop staat dat je met je tentje mag overnachten. Als je dat wilt verstaan onder beschaving. Eigenlijk wilden we de hele Kepler-track lopen. Maar ook in dit afgelegen, ruige stuk van Nieuw-Zeeland heeft het massatoerisme toegeslagen en is het aantal mensen die de tocht mogen lopen gebonden aan een maximum.

'Mogen lopen' betekent dat je je overnachtingen hebt geboekt in de trekkershut of een plek op het kampeerweitjes ernaast. Voor sommige perioden moet je al een jaar van tevoren boeken. En dan ben je er nog niet zeker van dat je kúnt lopen. Vandaag bijvoorbeeld heeft de verse sneeuw sommige gedeeltes van de track onbegaanbaar gemaakt. Je mag alleen vertrekken als je even tig dollars wilt neertellen voor de helicopter die je over de dichtgesneeuwde stukken hopt. Maar wij lopen vandaag alleen maar een stuk langs het meer en dat doen we gratis en voor niks.

De Pukeko

Op weg van de camping naar het toegangshek dat het begin en het eindpunt van de Kepler-track markeert, passeren we een fraai vogelpark. Ruime en goed beplante vogelkooien moeten hun bewoners in de juiste stemming te brengen om voor nageslacht te zorgen. Ik lees soortnamen waar ik nog nooit van gehoord heb en die ik meteen weer vergeet. Behalve de naam 'Pukeko'. Voor mij is niet de Kiwi of de Kea of de Tui dé vogel van Nieuw-Zeeland. Nee, het is de Pukeko. Een waadvogel met staalblauwe veren en lange dunne oranjerode poten. Hij heeft een rare hoornkam als een platgedrukt stuk kauwgom boven zijn bloedrode snavel.

Als je een meerkoet kruist met John Cleese, dan krijg je een Pukeko. Het is een brutale slungel. Zijn kuikens, die al net zo nieuwsgierig en brutaal zijn, jaagt hij consequent de struiken in. Bemoei je er niet mee, stel snotneuzen! Volwassen pukeko´s paraderen langs het gaas, eisen voesel. Brood! Appelschillen! En vlug een beetje! We voeren ze van onze lunchpakketten, om later op een bordje te lezen hoe slecht en verkeerd dat van ons was. Het eerste gedeelte van de Kepler-track is een teleurstelling voor wie ruig terrein verwacht.

De route voert langs is een keurig onderhouden bospad vlak langs de boorden van het meer. Soms houdt het bos even op en hebben we een fantastisch uitzicht over het meer waarin de bergketens van het Fiordland zich spiegelen. Mensen komen we niet meer tegen. Bij de Tourist Information hebben we een routekaartje opgehaald, waarop we zien dat we eerst langs een strand komen en dan langs nog een strand. Op het kaartje geeft een streepjeslijn aan dat daarvandaan een bootje vaart naar Te Anau.

Om half twee 's middags komen we op het verlaten strand van Broad Bay. Geen haventje, geen bootje. Niets. We trekken onze schoenen uit en klossen wat door het water. Vanaf Broad Bay is Te Anau niet meer te zien. Er zit niets anders op dan al die kilometers maar weer terug te sjokken. We praten niet veel op de terugweg. Nu pas valt het ons op hoe stil het is in het bos. Waar zijn toch al die vogels uit de rijke Nieuwzeelandse natuur?

Behalve vogels, missen we ook insecten. Bloemen genoeg, maar op een enkel koolwitje na, geen vlinders. We trekken geen conclusies. We kennen dit land nog niet zo goed. Het zijn de echte Nieuwzeelanders die ons later nog zullen vertellen wat er aan de hand is met de natuur in dit land.

Doubtful Sound

In Fiordland is een trip naar Milford Sound of Doubtful Sound net zo vanzelfsprekend als in Beieren een bezoek aan het kasteel van de gekke koning Ludwig. Dus ook hier geldt dat je ruim van tevoren moet boeken om zeker te zijn van een plekje op een van de luxe cruiseschepen die toeristen met honderden tegelijk door de fjorden varen. Maar volgens het meisje van het boekingskantoor zijn er nog twee plaatsjes vrij bij Fiordland Travel Explorer. Deze vaart met maximaal 12 personen door Doubtful Sound en combineert dit met een bezoek aan de ondergrondse krachtcentrale van Lake Manapouri.

Manapouri ligt een halfuur hotsebotsen in een volkswagenbusje verwijderd van Te Anau. Zo toeristisch als Te Anau is, zo'n verstilde indruk maakt Manapouri met z'n houten vissershuizen op palen langs de oever. We maken kennis met Chris, schipper, chauffeur en gids voor deze dag. In een catamaran met twee forse buitenboordmotoren scheuren we over het meer. Liever liet ik me met minder lawaai transporteren, maar het Lake Manapouri is zo groot, dat we er met Hollands boemelbootje al een halve dag over zouden doen om het in de lengte over te steken.

Aan de overzijde haalt Chris de bus op die ons over de bergpas naar Doubtful Sound zal brengen. Onderweg duiken we een tunnel is die spiraalsgewijs in de berg is geboord. Op 180 meter diepte is een immense hal ingericht met 7 reusachtige generatoren die, gevoed door het water uit het meer, per dag heel veel (ik weet niet meer hoeveel) stroom produceren. Vanaf een soort balkon kijken we neer op de werkvloer waar mensen in witte jassen rondscharrelen als in een scene uit een James Bond film.

Na een kwartier komt Chris ons halen voor de laatste kilometers bussen naar Doubtful Sound. Doubtful Sound is een veelarmige fjord met hoge steile rotswanden. Het schijnt er 300 dagen per jaar te regenen, maar wij treffen een stralende dag met een strakblauwe hemel. Maar 'elk foordeel hep se nadeel' zei Johan Cruijff al, en ook in dit geval gaat het gezegde op. De hier gebruikelijke plensbuien zorgen voor spectaculaire muren van langs de rotsen stortend water, maar nu het al een paar dagen niet heeft geregend, zien we niet meer dan we twee of drie glinsterende streepjes waterval. Hóóg zijn ze trouwens wel. Wat we ook niet zien: dolfijnen. Wel zien we, her en der verspreid op de vele eilanden in de zeearm, een paar pinguïns en heel veel zeehonden.

Fox Glacier: de ijskap aan de kust

Onze volgende bestemming is Fox Glacier. Van te Anau tot de unieke kustgletsjer voert de weg door onherbergzaam en schaars bewoond gebied. De enige stad, Queenstown, doet goedkoop en rommelig aan. Bij het plaatsje Haast begint de kustroute naar de hoogste berg, Mount Fox, en de gletsjers Fox en Franz-Josef. Het benzinestation langs de weg vlak voor Haast hanteert de hoogste brandstofprijs van heel Nieuw-Zeeland. Wie dat niet wil betalen, loopt kans om te stranden met een lege tank, want tussen hier en Fox Glacier, een afstand van zo'n kilometer, zullen we geen enkel tankstation meer tegekomen. Het dorp Fox Glacier lijkt te bestaan bij de gratie van het toerisme. Ik tel één hoofdstraat en twee zijstraatjes, voornamelijk gevuld met hotels, motels en eet- en drinkgelegenheden.

De enige camping heeft volop plaats. We parkeren de camper op een mooi plekje aan de rand van het bos en net als we een blikje bier opentrekken, komt er een helicopter over. En nog een. En nog een. Dat begint om 9 uur 's morgens en gaat de hele dag door. Big business hier. Leuk gletsjertje kijken vanuit de helicopter. Maar wij bij besluiten gewoon de benenwagen te nemen. De volgende ochtend dan. Want vandaag nog maken we een wandeling door het aangenaam koele regenwoud en 's avonds brengen we een bezoek aan de gloeiwormpjes in het bos pal achter de camping. Aanrader! Vanaf de hoofdweg draaien we het pad op naar de Fox gletsjer.

Het is een smal pad en weer prijzen we ons gelukkig dat we maar een klein campertje hebben. Met een grotere camper waren we vast en zeker blijven steken in de laaghangende takken. Op weg naar de parkeerplaats passeren we borden die aangeven dat in 1911 de gletsjer tot 'hier' kwam, in 1938 tot 'hier'en tot 'hier'in 1967. Dan bereiken we de parkeerplaats en is het nog een eindje lopen naar de gletsjer, die in 2003 nog maar tot 'daar' komt. De ijskap is melkachtig blauw van kleur en bedekt met gruis en puin. Het smelt als een gek, de kop van de gletsjer druipt, nee, stroomt kwistig uit in een brede, snelle beek. Wat zou er over 10 jaar nog van de gletsjer over zijn?

Het grappige van de Fox gletsjer is dat-ie niet boven op een berg ligt, maar door een dal naar beneden kronkelt, geflankeerd door dichtbeboste hellingen. Als we genoeg ijs en puin hebben gezien, besluiten we dan ook om het hogerop te zoeken en dat betekent een boswandeling met aardig wat klim. Vanaf een uitzichtpunt op de helling hebben we een mooi uitzicht op de gletsjer die van bovenaf wel wat weg heeft van een dikke bleke larf. Ik herinner me ineens dat ik ergens beneden een bordje heb gezien dat verwees naar de een of andere 'beach'. We besluiten dat we naar het strand willen. 'Gillespies beach, 20 miles' staat er op de richtingaanwijzer. De Lonely Planet-gids liegt (blijkt later) dat er zeehonden zijn.

We rijden met ons campertje door vlak en prairie-achtig landschap tot we bij een bosrand komen. Een wegwijzer stuurt ons het woud in. 'Gillespies beach, 20 miles' lees ik. Consequent zijn ze wel, die Nieuwzeelanders. De bosweg wordt een bospad. De potten en pannen achterin rammelen steeds vervaarlijker. 'Ik ruik de zee,' zeg ik. 'M'n zolen,' hoor ik Peter denken. Maar we blijven optimistisch. We moeten wel want we kunnen nergens keren, nergens een teken van leven, geen zijpaden, alleen maar boomvarens. In een bocht een bordje met een pijl. 'Gillespies beach, 20 miles. Leggen ze die dingen soms onder een kopieermachine?'

't Schiet op, nog maar 20 mijl,' probeer ik leuk te zijn. We hobbelen nog een poosje verder. Dan ineens: een tegenligger! Peter stuurt de camper de steile wand op en de chauffeur van de 4WD rooit een paar boomvarens bij het passeren. 'We zitten goed,' zegt Peter. 'Die auto moet toch érgens vandaan komen?' Ik knik. Dat de tegenligger niet op zijn voorhoofd wees, was dat op zich al niet een positief signaal?

We rijden vele malen 20 mijl en dan krijg ik het idee dat het bos minder dicht wordt, maar ik durf niet meer te zeggen dat ik de zee ruik. Op het moment dat we besluiten om maar boskabouters te worden, zijn de bomen op en voert het pad ons langs stekeling struikgewas. Strand in zicht!

Gillespies beach is een breed zandstrand met weinig schelpen, veel gladgeslepen keitjes en heel veel boomstronken. Geen mens te zien. Drie strandhuisjes zien er huiveringwekkend verlaten uit. Ik vraag me af wie Gillespie was. Misschien wel een zeemeeuw?

Het feit dat wij er de enige mensen zijn is eigenlijk verbazingwekkend, want Gillespies beach is een uniek strand. Uniek in die zin, dat je vanaf het strand een schitterend zicht heb op de gletsjers en op Mount Fox. Het lijkt of de witbeijsde toppen, hoog oprijzend achter het kunstlandschap, zich gezellig tegen aan schurken. Zwitserland aan zee, zoiets.

'Zuid' zit erop

Het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland is vaak ontzagwekkend mooi en soms niet minder ontzagwekkend saai. Wat ook weer met de grote schoonheid te maken heeft. Te veel moois maakt je op de lange duur aan het gapen. Elke dag biefstuk gaat ook vervelen. Over biefstuk gesproken: heb je wel eens van 'roadpizza' gehoord? De wegen in Nieuw-Zeeland (op het Zuidereiland praktisch allemaal 2-baans) zijn geplaveid met 'roadpizza's' oftewel platgereden 'possums'.

Possums zijn buidelratten, ooit vanwege hun prachtige bontvelletje ingevoerd uit Australie. Nu een echte plaag. Ze vreten hele bossen kaal en de Nieuwzeelanders doen alles om ze klein te krijgen. Ze rijden ze plat, knallen ze neer, elektrocuteren, vergiftigen, verbranden en verdrinken ze, hakken ze in mootjes. Maar niets helpt. De moordcampagens hebben zelfs een averechts effect. Talloze inheemse dieren leggen eveneens het loodje. Er is in de afgelopen jaren zo kwistig gif gestrooid en gesproeid dat het in sommige gedeelten akelig stil is in de bossen en vlinders er een zeldzaamheid zijn geworden.

Ons verblijf op het Zuidereiland zat er bijna op. Men had ons aangeraden de overtocht van Picton naar Wellington op het Noordereiland ruim van tevoren te boeken, en door het langere verblijf in Te Anau hadden we al tijd verloren. Tussen Fox Glacier en Picton konden we maar een keer overnachten. We kozen voor Punakaiki aan de noordwestkust, vanwege de Blowholes en de Pancake Rocks.

Over de blowholes kan ik kort zijn. Right place, wrong time. Ofwel veel holes, maar weinig blow. Blowholes zijn door erosie en afslag ontstane ruimten in de rotskust. Tijdens de vloed persen de golven zich met enorme klappen door de gaten, zodat fonteinen van zeewater hoog opspuiten boven de rotsen. Toen wij er waren, was het geen vloed. De Pancake Rocks bestonden uit laagjesen waren, inderdaad, zo plat als pannenkoeken. Ik vond ze meer weghebben van spekkoek.

Een eindje verderop was een camping vlak aan het strand waar we 's avonds genoten van een magnifieke zonsondergang. Na nog eens een hele dag rijden, is het havenstadje Picton een aangename verrassing. Het ligt aan de prachtige Marlborough Sound, heeft leuke winkeltjes, jachthavens en een mooi parkje met palmen. In alles doet het denken aan een Zuidengels badplaatsje, de mensen hebben er een bepaald soord 'chique' dat on-Nieuwzeelands (of is het Nieuwzeeuws?) aandoet.

De camping stelt niet veel voor, maar het is maar voor een nachtje. De volgende dag hebben we nog alle tijd om Picton te bekijken, voordat we ons campertje de boot op rijden. We vinden een plaatsje op het bovendek op het achterschip. Eigenlijk wil ik nog helemaal niet weg, maar niemand stopt de boot en zwemmen zie ik nu niet zitten. Er rest niets dan me maar rustig mee te laten varen langs de vele eilanden waarmee de Marlborough Sound is bestrooid. Eenmaal aangekomen in de zeestraat verdwijnt het Zuidereiland in de nevel. Het gaat harder en harder waaien, de golven schuimen als Heinekenbier en daar heb je 'de overkant' al: Wellington op het Noordereiland.

Wellington

We waren gewaarschuwd. In Wellington waait het altijd hard. Heel hard, minimaal windkracht 6 en in de brede straten waar hoogbouw domineert, kan het zelfs aanwakkeren tot een stormpje, laten we zeggen windkracht 9. Niets van waar. Tenminste niet toen wij vanaf de veerboot de vastewal van het Noordereiland opreden. Waren buitengaats de golven nog getooid met driftige kruintjes van zeepsop, in de haven kabbelt het water tevreden rond de steiger. We rijden direct door naar Lower Hutt, een plaatsje 13 kilometer noordoost van Wellington.

Voor wie vers van het Zuidereiland komt, zijn de wegen rondom Wellington een afknapper. We bevinden ons in een 6 rijbanen brede verkeersstroom, naast ons een meerbaans treinspoor, boven ons de ene na de andere fly-over en ertussenin uitgestrekte bedrijventerreinen met loodsen in alle maten en zonder uitzondering voorzien van schreeuwerige banners, vlaggen en gevelbeschilderingen.

Lower Hutt is een onaantrekkelijk plaatsje. Het bestaant uit een eindeloze zee van grauw ogende houten huizen, uitgestrekte bedrijventerreinen en alweer heel veel verkeer. De camping (Top 10 Holiday Park) daarentegen is boomrijk en ruim, grenst aan een golfbaan. Onze camper blijkt zelfs direct naast een afslagplaats (heet dat zo?) te staan, maar gelukkig meppen ze de andere kant op. Voor golfballen die hun duikvlucht in onze koffie eindigen, hoeven we dus niet bang te zijn. Een hele dag hebben we gereserveerd voor een bezoek aan de hoofdstad van Nieuw-Zeeland. Omdat Lower Hutt een prima busverbinding heeft met Wellington, krijgt de camper een vrije dag.

Van het thuisfront hadden we al een tip gekregen: het Te Papa-museum aan de haven mag je niet missen. Het is een enorm gebouw dat diverse exposities herbergt. Een van die exposities geeft een beeld van de cultuur van de Maori. We bekijken onder meer een prachtig bewerkte oorlogskano en een nagebouwd gemeenschapshuis dat ook al zo mooi is versierd met houtsnijwerk. Heel indrukwekkend vind ik de expositie die de immigratie in de afgelopen twee eeuwen behandelt. Met kaarten, tekeningen, foto's, dagboekfragmenten en voorwerpen wordt de strijd in beeld gebracht die de nieuwkomers moesten voeren om te overleven in dit grote en onbekende land.

We blijven langer in het museum dan we van plan waren. We moeten daarna besluiten wat we met de rest van de dag gaan doen. We kiezen voor een rit met een kabeltreintje, een 610 meter lange tocht naar de top van de Kilburn-heuvel en worden beloond met een fantastisch uitzicht over de baai van Wellington. Ook op Kilburn Hill: een park van 26 ha waarin de Nieuwzeelandse oerwoudvegetatie is samengebracht, een Engelse rozentuin en een kas propvol begonia's in de meest fantastische kleuren, van metallic-oranje tot neon-purper en alle tinten ertussenin. Zonnebril op!

Napier, Art Deco en zwarte kiezels

In de Lonely Planet reisgids lees ik dat Napier in 1931 voor een groot gedeelte is verwoest bij een aardbeving en daarna is herbouwd in de Art Deco stijl. Dát wil ik zien! Halverwege Lower Hutt en Napier is de weg zo'n honderd kilometer lang schilderachtig, echt een cadeautje, slingerend door een middelgebergte met heel veel haarspeldbochten. Dichter bij Napier geraken we in een gecultiveerd landschap dat wordt gedomineerd door fruitteelt. Het schijnt dat men vroeger met de teelt van kiwi's en van aubergines schathemeltjerijk kon worden. Dat is hier en daar nog te zien aan de landhuizen die in het zuiden van Engeland of in Frankrijk in de Loirestreek niet zouden misstaan. We worden het rijden een beetje zat. Appelbomen, perenbomen, velden vol meloenen, af en toe een koe en het is warm, erg warm.

Als je Napier binnenrijdt, zie je er de Art Deco niet meteen aan af. De buitenwijken zien er burgerlijk-welvarend uit, veel groen, brede straten. Het beroemde centrum steekt er eerlijk gezegd maar povertjes bij af. Wat Art Deco architectuur heet te zijn, lijkt op een westernstadje waar een babyroze verfbom is ontploft. Het mooist vind ik nog de Marine Parade, de beroemde promenade langs Hawkes Bay. Palmen en een zalmkleurige zuilenrij tegen de achtergrond van een diepblauwe zee. Het strand zelf bestaat uit zwarte kiezels.

Ondanks de warmte is er niemand in zee. Hawkes Bay is berucht vanwege de verraderlijke stroming en wordt door surfers en zwemmers gemeden. Maar wie even om zich heen kijkt, kan zich in Napier wel vermaken. Er zijn dolfijnen- en zeehondenshows in Marineland, er is een groot zeeaquarium met haaien, krokodillen, piranha's en andere griezels en er is een museum waar een aardbeving wordt nagebootst. Leuk, maar nu even niet. We gaan op zoek naar camping Bayview en vinden die aan het strand 4 kilometer ten noorden van Napier.

Borrelen en spuiten

Mijn eerste echte rokende vulkaan zie ik wanneer wij de volgende dag arriveren bij Lake Taupo. Het meer is 25.000 jaar geleden ontstaan tijdens een van de grootste vulkanische explosies uit de geschiedenis. In het jaar 181 heeft zich nogmaals zo´n knal voorgedaan, waarbij 30 km3 as en puin de lucht in werd geslingerd. Romeinse en Chinese geschriften uit die tijd maken melding van spectaculaire zonsondergangen, die daar het gevolg van waren. Je kunt het bijna niet geloven als je de eenden zo vredig op het diepblauwe wateroppervlak ziet dobberen.

Vanaf de oever van het meer heb je een wijds zicht op de vulkanen van het Tongariro National Park, waarboven kalme rookpluimpjes hangen. In Napier is ons verteld dat er van de kuststreek tot aan het vulkaanpark bijna dagelijks aardschokken worden geregistreerd. Onderweg hebben we diepe kerven in de bodem gezien die zijn ontstaan door tectonische werking en de komende dagen zullen we rondlopen in een omgeving waar het in alle hoeken en gaten borrelt, rammelt, gist, spuit en knettert.

Rotorua, volgens Peter het hoofddoel van onze reis, wordt ook wel Sulphur City ('zwavelstad') genoemd en ik had me er een voorstelling van gemaakt die gelijkenis vertoonde met het onheilszwangere Gotham City uit de Batman-films. Maar wij kwamen terecht in een nijver stadje waar de lucht helemaal niet zwavelgeel was en de beruchte 'geur als van rotte eieren' was niet erger dan die van een terloops gelaten windje, dus die knijper op de neus bleek ook al overbodig.

De Nederlands-Nieuwzeelandse organisator van de Tweedaagse van Rotorua, Henk Buissink, had voor ons een plaats gereserveerd op de camping tegenover de startplaats. Redwood Holiday Park is een nette camping met goede voorzieningen en vriendelijke eigenaren. Er is een privé-spa die overdag door de campinggasten gebruikt mag worden en ook is er een zwembadje. Het enige nadeel is de ligging aan een lawaaiige verkeersweg.

Dikke mannen

Omdat Rotorua een van de meest populaire vakantieoorden op het Noordereiland is, is er een grote keus aan bezienswaardigheden. Vooral de Maori-cultuur wordt behoorlijk uitgevent. Een modeldorp, een soort Maori- Volendam concurreert stevig met het naastgelegen Maori Arts and Craft Center. Ze hebben allebei Maori-kunst, dansvoorstellingen, geisers en bubbelende modderpoelen in de aanbieding, maar het Arts en Craft Center heeft ook echte levende kiwi-vogels en daarom kiezen we voor die bestemming.

We hebben er geen spijt van. Onze gids, een Maori-dame, vertelt vol humor over de geschiedenis en tradities van de Maori-bevolking en natuurlijk is er een dansvoorstelling. Beschouwde ik aanvankelijk die Maori-krijgsdans als iets lachwekkends, genant bijna vanwege de te dikke mannen die hun ogen laten rollen, 'buúúúúh' roepen en hun tong uitsteken; in het echt blijken de voorstellingen echt indrukwekkend, de dansers heel stoer, de vrouwen bijzonder elegant en de muziek is vrolijk en aanstekelijk.

In een verduisterd koepeltje aan de rand van het terrein leeft een stelletje kiwi-vogels. Door de speciale belichting gaan de beestjes, nachtdieren, overdag hun gangetje zonder in de gaten te hebben dat ze worden bekeken door hordes toeristen. Die geen geluid mogen maken, niet fotograferen, niet tegen de ruit tikken. Daarom blijven de meeste toeristen niet lang. Ze schuifelen snel naar buiten zodat Peter en ik alle tijd hebben om het gescharrel van de beestjes uitgebreid gade te slaan.

Ze zien er wat sullig uit, alsof ze nooit uit het ei zijn gekropen, maar gewoon hun kop en pootjes door de schaal hebben gestoken. Toch zijn het geen lieverdjes, vertelt de gids. Het zijn eerder krengen, ze hebben moordende klauwen waarmee ze hun territorium verdedigen. Ze háten hun buren, die ze soms gewoon doodhakken met die gemene klauwen van ze. Als ze echt in een slechte bui zijn of gedronken hebben, zijn zelfs hun eigen kuikens niet veilig. Moederliefde, daarmee moet je bij een kiwi niet aankomen. Moe kiwi legt een ei en neemt dan de benen. Vader weet ook niet goed wat hij met dat ei aanmoet. Hij gaat er maar een beetje op zitten. Het is een wonder dat er nog kiwi's zijn.

's Middags schrijven we in voor de IML-tocht. Het is een gezellig Hollands sfeertje bij het startbureau, compleet met vlaggen, veel oranje en ja hoor: een portret van onze kroonprins en Maxima. 's Avonds is de openingsceremonie in het gemeentehuis met opnieuw Maori-dans waar ik inmiddels fan van ben geworden. We komen wat bekenden tegen, onder wie Rob van Onselen (van de luchtmacht) en zijn vrouw Erna. De ceremonie sluit met een korte tocht door de stad, maar als 't begint te regenen en we ons geparkeerde campertje in het vizier krijgen, piepen we 'm stiekem. Morgen vroeg op.

Tweedaagse van Rotorua

We verslapen ons en we vertrekken rond half negen als een van de laatste 30-kilometerlopers. Wat zal ik vertellen over de eerste dag van de tweedaagse van Rotorua? We zagen veel bomen. Veel varens ook. Super varens zelfs. Veel groen. Nooit geweten dat er zoveel tinten groen bestaan. Daartussen af en toe roodwitte lintjes waarmee de route is aangegeven. Verder, ik durf het bijna niet te zeggen, maar de eerste dag van de Tweedaagse heeft niet zoveel indruk op mij gemaakt. Of het moest zijn dat de organisatie midden in het dichte woud waar alle gelegenheid was om ... eeh, nou ja, uit de broek te gaan, zal ik maar zeggen, twee dixi-toiletten had laten neerzetten. Ontroerend!

Trouwens, 'die van Rotorua' hebben alles heel goed georganiseerd, petje af! 's Avonds een social meet-and-greet and dinner. Gezellige avond, met onder meer een paar ex-Limburgers, Mia en Bruce, in de jaren '50 geëmigreerd uit Nederland en nu al jaren wonend in Palmerston-North. Probeerden ons uit te horen over Jantje Smit en Frans Bauer, maar uiteindelijk waren zij het die ons bij moesten praten en gesterkt met die kennis begonnen we aan dag twee.

De tweede dag geeft een heel ander parcours. Een echt Nieuwzeelands parcours, slalommend tussen geysers en pruttelend blubber, over zwavelvlakten, langs het meer en door de stad. We lopen een poosje op met Rob van Onselen en komen ook Klaas Limbeek tegen, die Peter nog kent uit Nijmegen. Het is gezellig wandelen, met de Nieuwzeelanders valt gemakkelijk contact te leggen en ook de andere buitenlanders, zoals Zweden en Tsjechen, lijken wel iets van de vanzelfsprekende hartelijkheid van de 'Kiwi's' over te nemen. Na afloop blijven we bij de finishplaats hangen tot na de sluitingsceremonie.

Daarna snel douchen en omkleden, want we hebben een uitnodiging ontvangen voor een diner bij de 'deerhunter' die ergens in de heuvels woont. Henk Buissink brengt ons met nog wat internationale gasten (onder wie ook Klaas Limbeek) naar het huis van Harry en Colleen Bimmler. Harry heeft fortuin gemaakt als een van de eerste boeren die op grote schaal herten hielden voor de vleesproductie. Hij is een gepassioneerd jager op groot wild, daarvan getuigden de vele opgezette dieren in zijn huiskamer.

Ik heb moeite met mensen die hun bevrediging halen uit het doden van dieren, maar Harry vertelt over zijn hartstocht met veel respect voor zijn, laat ik het dan toch maar 'slachtoffers' noemen. Hij legt uit dat het hem te doen is om grote en respectabele dieren, koningsherten met grote geweien. Volgens hem zijn dat juist de dieren die aan het einde van hun periode zijn gekomen. 'Ik schiet niet op de moeder, of de zoon,' zegt hij. 'Zelfs niet op de vader. Opa! Díe moet ik hebben!' Het waren dus toch al ten dode opgeschreven bejaartjes die er aan de wand hingen. Hadden allemaal een spannend leven achter de rug in de natuur met veel sex. Da's toch wel heel andere koek dan aftakelen in Huize Avondrood.

Het hertenvlees dat Colleen ons voorschotelde was om je vingers bij op te eten en de gasten hadden allemaal een interessant verhaal te vertellen. Onder hen een van de organisatrices van de Finse IML-tocht samen met haar dochter Hannah en een Zweedse legerofficier, Per Thulin, met zijn vriendin Maria Persson. We maakten het niet laat, want Klaas, Per, Maria, Peter en ik moesten de volgende dag vroeg op voor wat voor mij het absolute hoogtepunt van de hele reis is gebleken: de Tongariro Crossing.

Tongariro Crossing

Met 18 personen begonnen we, na een rit van 2½ uur, aan de wandeling van zo'n 17 kilometer die ons door de krater van de Tongariro op 1873 meter hoogte voert. Het eerste stuk van 2½ kilometer voert heel geleidelijk omhoog door soort prairielandschap. Dan loop je als het ware met je kop tegen de bergwand op. Je kijkt omhoog: een kale berg en daar moet je je dan als een vlieg tegen de wand tegenop werken. Halleluja en amen. Peter en ik halen diep adem. Gáán!

We zwoegen achter de gids aan die onvermoeibaar doorstampt. Steeds als je denkt dat je er bent, rijst de berg weer een stukje hoger. De groep is uiteen gevallen in bikkels, een groep gestage zwoegers en achterblijvers. Tijdens het steilste gedeelte van de klim lukt het ons net niet helemaal om bij de bikkel-groep te blijven, maar we zorgen er wel voor om niet ingehaald te worden door de zwoegers. Ten koste van heel, heel veel zweet, dat wel. Op een plateautje besluit de voorste gids om halt te houden.

Zodra het waas voor mijn ogen is opgetrokken, zie ik hoe steil de klim was. Dáár beneden liepen we zo-even. In de zalige onwetendheid van wat ons te wachten stond. En dáár moeten we heen, wijst de gids omhoog, naar een punt ergens voorbij Mars. 'O,' zeg ik wanhopig, 'dat schiet al lekker op.' Maar op enig moment staan we dan toch op ruim 1800 meter hoogte bij de 'rode krater'.

Waarom die krater zo heet, begrijp ik wanneer de rook en de mistflarden die de krater verstoppen, een moment uiteenwaaien. De binnenkant van de krater is diep fluweelachtig rood. Is het de kleur van het gesteente is of een mossoort of zijn het bacterien die die kleur veroorzaken? Ik wil het aan de gids vragen, maar vergeet het en tot op vandaag weet ik het nog niet.

De grond om de krater is warm, bijna heet, Na de rode krater dalen we steil af over en pad van lava-gruis naar een kratermeer met blauwgroen water, omzoomd door een zwavelgeel strand. Het water is heet, je kunt er bij wijze van spreken een ei in gaar koken. Wat lager zien we nog een aantal van die ' emerald lakes' liggen. Na het meer doorkruisen we de ' bodem' van de krater, een vlak gedeelte van asgrauw puin en hier en daar sporen van gestolde lava.

Dan volgt weer een venijnig klimmetje en daarna is het alleen nog maar afdalen langs een helling die allengs meer begroeiing te zien geeft en uiteindelijk overgaat in een bos. Beneden op de parkeerplaats houden we een 'afscheidsdiner' bestaande uit worstenbroodjes, appels en bier. We maken foto's, wisselen emailadressen uit en hebben praatjes voor tien.

Rot camper! De volgende dag regent het pijpenstelen. Op het programma staat een rit naar de kust, naar het Coromandelschiereiland. Fordje start netjes, hobbelt gehoorzaam de camping af en neemt probleemloos de eerste rotonde. Bij de 2e rotonde gaat het mis. Pook in z'n 3, dan muurvast, versnellingsbak aan gort. Rot camper! Hortend en stotend rolt het kreng nog door tot bij een benzinestation.

We lezen in de 'wat-te-doen-bij-pannepapieren' nog eens door. En wat blijkt? We hebben zowel pech als geluk. Pech omdat de reparatie van schade aan de versnellingsbak door de huurder van de camper (wij dus) zelf betaald moet worden. En geluk omdat de enige 2 servicepunten van Otago Campervans zich bevinden in Auckland waar we nog lang niet zijn en: Rotorua dat we dus net nog niet hebben verlaten.

De Nieuwzeelandse wegenwacht neemt ons op sleeptouw naar een morsig garagebedrijf waar de baas-zelf onze camper hoofdschuddend bekijkt. Zo'n oud beestje met zo'n versleten versnellingsbak hadden we toch met veel meer zachtheid moeten behandelen! Pardon, versleten, zei u? Ja, zegt de baas. Die camper is al 11 jaar oud, hoe denkt u dan dat z'n versnellingbak eraan toe is? Peter en ik kijken elkar aan. We ruiken onze kans om onder een dure reparatierekening uit te komen.

We bellen de verhuurder en schelden 'm verrot omdat hij ons met zo'n oude camper met een versleten versnellingsbak heeft afgescheept. Jazeker! Versleten! Hoe durft u! De verhuurder weet waarschijnlijk wel dat hij fout zit, want volgens de folder zijn z'n campers maximaal 5 jaar oud. Hij biedt ons aan om Fordje in te komen ruilen voor een camper van een recenter bouwjaar, maar wij wijzen dat aanbod af omdat we daarvoor eerst helemaal naar Auckland moeten rijden.

We houden de camper nog wel een paar dagen, zeg ik, maar u denkt toch zeker niet dat wij de reparatie betalen? Nee, aarzelt de verhuurder, dat hoeft u in dit geval ook niet. Peter en ik geven elkaar grijnzend de high-five en vrolijk bestellen we een taxi naar Rotorua om nog wat te gaan winkelen tot de versnellingsbak is gerepareerd.

In de stromende regen doen we onze boodschappen en daarna kopen we een krant waarmee we onze tijd doorbrengen tot de garagist belt dat de camper weer klaar staat om de reis te vervolgen. We krijgen een herboren Fordje mee, met een soepel glijdend pookje. Wel krijgen we de raad om er 'very, very gentle' mee om te gaan en zeker niet z'n 5 te gebruiken. Dat doen we dan ook niet tot aan het schiereiland Coromandel en daarna tot Auckland, waar onze reis eindigt.

Geheimzinnig over Coromandel kan ik kort zijn. Lees de reisgidsen erop na. Wat men erover schrijft klopt allemaal. Een tropisch eilandenparadijs aan de oostkant, een woest gebergte in het midden en een ruige rotskust aan de westkant. We bezoeken en paar toeristische trekpleisters als Hot Water Beach en de Cathedral Cove. Het unieke van Hot Water Beach is dat de watertemperatuur vlak onder het strandoppervlak op het kookpunt is. Wie een kuiltje graaft en erin gaat zitten, brandt zijn billen.

Cathedral Cove is een door zeewater uitgesleten doorgang, een gewelf in een rots. De wandeling erheen (klein uurtje lopen vanuit de camping 'Hahei Holiday Resort') is de moeite waard. O ja, we bezoeken aan de westkant van Coromandel bij Tapu de Watergardens. Een heel mooi park met vijvers en mooi aangelegde rotstuinen. Het leukst zijn de eenden die zich gewoon laten aaien. Ze zijn zo tam dat je ze kunt oppakken en op je schoot zetten. Het is ons alleen niet gelukt om ze ook nog zindelijk te maken. Dus toen we onze broekspijpen weer hadden schoongepoetst begonnen we aan onze laatste rit van deze vakantie: naar Auckland.

Van Coromandel naar Auckland passeer je een uniek vogelbroedgebied in de Thames-baai bij Miranda. Bij het Shorebird Visitor Centre blijkt opnieuw dat het bij ons weer een kwestie is van right place, wrong time. Het is laag tij, dus alle zeldzame kustvogels bevinden zich op de fourageerplaatsen op de zandplaten in de baai.

Peter spot in de verte iets geheimzinnigs. We pakken onze verrekijker. Het is donker en beweegt zich traag over het strand naar de waterlijn. Een gestrand baby-walvisje? Die gaan we redden! Dichterbij gekomen blijkt het een dikke vent te zijn met een raar hoedje op die schelpen zoekt, de moeite van het redden niet waard. Teleurgesteld keren we terug naar de camper.

Auckland

Onze laatste camping is Remoura Motor Lodge dichtbij het centrum van Auckland. Een belachelijk dure (NZ$ 28,- per nacht) camping met belachelijk kleine plaatsen (5 bij 3 meter of daaromtrent) en een wasmachine met kuren. De ligging is gunstig. Er zijn diverse restaurants in de buurt en de bus naar het centrum stopt vlakbij. 's Avonds om een uur of acht bezoeken we de Sky Tower, een soort Euromast met een draaiend restaurant. We rennen nog omhoog om vanuit de toren de zon te zien ondergaan, maar we zijn net te laat. Met onze neuzen tegen de ruit geplakt zien we hoe overal de lichtjes aangaan en na een uur is buiten alles zwart met gele stippen...

De allerlaatste dag bezoeken we de dierentuin. Niet zo'n grote dierentuin, maar de dieren hebben mooie en natuurlijk ingerichte verblijven. Er zijn veel jonge dieren. Het leukst zijn natuurlijk de apen. Het zieligst is de olifant. Hij heeft ruzie gehad met zijn maat en voor straf mogen ze niet meer samen naar buiten. De olifant zwaait lusteloos wat heen en weer met het takje in zijn slurf, terwijl je af en toe zijn maat hoort trompetteren vanuit het binnenverblijf.

Na de dierentuin bezoeken we het naastgelegen park. Hier stikt het echt van de Pukeko's, en ze zijn zo tam dat ze het brood en de appelschillen uit je hand scheuren. 's Avonds eten we Thais in een restaurant met een onuitspreekbare naam. De volgende dag vliegen we terug naar Nederland.

That's all, folks....

Nog wat tips

Ik herlees mijn verslag en constateer dat ik nog een heleboel vergeten ben. Ik had nog veel meer kunnen vertellen over het reizen met een camper. Volgens mij is het de meest ideale manier om Nieuw-Zeeland te verkennen. Je kunt vrij staan op de mooiste plekjes, en voor wie liever een camping zoekt: die zijn er genoeg, van superluxe tot eenvoudig, maar vrijwel allemaal schoon en netjes.

Voor de huiselijke tiepjes onder ons: meestal heeft een camping een goed uitgeruste keuken en zijn er wasmachines en drogers. Voor de huur van een camper ben je niet beperkt tot Auckland, Wellington of Christchurch. De meeste grotere plaatsen hebben vestigingen van Avis en Kea (de grotere verhuurders) dus als je eerst met een auto reist is hetaltijd nog mogelijk je te bedenken.

Misschien had ik het nog meer over wandelen moeten hebben. Er is zo verschrikkelijk veel prachtige natuur, werkelijk overal kun je wandelingen maken varierend van een half uur tot een meerdaagse track. Let er bij het laatste op dat je je goed voorbereidt. Meerdaagse tracks kun je vaak alleen lopen als je vooraf je overnachtingen hebt geboekt. Dat boeken moet ruim je van tevoren doen. Kijk zeker even op internet. Sommige visitorcenters hebben een eigen website waarvan je alle belangrijke informatie kunt halen.

Nieuw-Zeeland is gemakkelijk te bereizen. De wegen zijn smal, maar op de meeste kun je toch aardig opschieten. Niks files, stoplichten zijn er zeldzaam. Parkeergelegenheid bijna nergens een probleem. Voor reizigers met het openbaar vervoer zijn er busverbindingen tussen vrjwel alle plaatsen die ook maar een beetje interessant zijn. Ga er gerust van uit dat wanneer een plaats geen busverbinding heeft, er ook niks valt te beleven.

Fietsers zie je ook wel op de Nieuw-Zeelandse wegen, maar die vorm van verplaatsen lijkt mij persoonlijk geen groot genoegen. Op de smalle wegen passeren de auto's zo krap en ze veroorzaken daarbij zoveel steenslag dat bescherming van een helm en een hele sterke zonnebril toch wel een minimale vereiste is om niet met een kop als een kratervallei op je bestemming te arriveren. Let op het zuidereiland dat je tijdig eten en brandstof inslaat. Het kan soms heel lang duren voor je weer een winkel of een benzinepomp tegenkomt.

En hou je van lezen? Dan heb ik slecht nieuws voor je. De kranten zijn waardeloos. De kwaliteitskrant van Nieuw-Zeeland, de New Zealand Herald, lees je nog sneller uit dan De Telegraaf. Ook de boekenwinkels stellen niet veel voor. De Bruna in Anna Paulowna is beter gesorteerd dan de gemiddelde stadsboekhandel in bijvoorbeeld Wellington of Auckland. Steek dus een paar dikke pillen in je bagage en zorg voor een zaklantaarn met goede batterijen. Want de avonden en nachten in Nieuw-Zeeland zijn donker, met als enig lichtpunt het bleke schijnsel van de maan.

Like deze pagina

Specialisten Nieuw-Zeeland

Stay tuned

Wil jij elke maand naar Nieuw-Zeeland?

  • Schrijf je in voor de maandelijkse nieuwsbrief boordevol foto's, prijsvragen en insider tips.
  • Ook ontvang je speciale deals van onze partners!

Aanmelden nieuwsbrief

Nieuw-Zeeland kenner
Sponsors